Lex van Voorst: Gouden Legenden

Door Maarten Beks

Lex van Voorst was vrij kunstenaar, monumentalist, illustrator en grafisch kunstenaar. Aangezien deze tentoonstelling in hoofdzaak een overzicht wilgeven van zijn recente vrije werk zou over al zijn andere veeleisende (om niet te zeggen: alle tijd vergende) werkzaamheden gezwegen kunnen worden, ware het niet, dat het onmogelijk is aan een universalist recht te doen door over een van zijn specialismen te spreken, zijn veelzijdigheid buiten beschouwing te laten.

lk ben er nooit in geslaagd om Lex te verleiden tot het doen van uitspraken over zijn voorkeurs-specialisme en daarmee misschien over het fait primitif, de oorspronkelijke inspiratie van zijn totale artistieke bedrijvigheid. Omdat hij erover zweeg blijft het mij vergund ernaar te raden, zoals ik er vroeger naar geraden heb tijdens al die eindeloze gesprekken gedurende welke Lex mij soms – uit waarheidsliefde of uit een teveel aan beminnelijkheid – de indruk gaf op de goede weg te zijn. En zelf heeft hij indirekt – ook het een en ander te vermoeden gegeven in een reeks van tijdschriftartikelen waarin hij zich – eigenlijk tot zijn eigen schrik, want zie, daar daagde alweer een speclalisme aan de horizon – liet kennen als een schrijver en kritikus van talent en dus – want de parabel der talenten was hem maar al te zeer bekend – met een opdracht.

lk vermoed dat Lex schreef en dat hij het zo goed deed, zo precies definiërend en zo gewetensvol omdat hij orde wilde scheppen in zijn talenten en belangstellingen, omdat hij zelf op zoek was naar een rangorde: voor welk van al mijn specialismen moet ik kiezen om trouw te blijven aan mijn veelzijdigheid?

Zoekend naar de schilderkunstige ‘motieven’ die hem het meest aanspraken in het werk van andere kunstenaars, vond hij, komt het mij voor, mede de motieven, drijfveren van zijn eigen zoeken naar een beeldende taal die welsprekend en welzwijgend genoeg zou zijn om hem kompleet te vertegenwoordigen.

lk meen te mogen zeggen dat Lex, al schrijvend – in de vroege zestiger jaren – een aantal inzichten over de beeldende kunst in het algemeen op het spoor kwam die in gekondenseerde vorm in zijn beeldend werk uit de vroege zeventiger jaren terug te vinden zijn. Die artikelen van Lex, verschenen in ‘Op de Uitkijk’, zien er heel ontspannen uit en happen vrij gemakkelljk weg, maar ze kwamen moeizaam tot stand; de schrijver geeft een snel overzicht van een uitermate tijdrovend opgravingswerk.                                      

Opgravingswerk: dat is misschien een sleutelwoord want Lex heeft zich aan mij vooral doen kennen als een archeoloog met een uitgesproken voorkeur voor alles wat de ‘verleden tijd’, die voor hem niets definitiefs had, aan het licht kon brengen. Lex leefde niet in de toekomst maar ook niet in het verleden; veeleer moet, geloof ik, gezegd worden dat hij van de toekomst een kreatieve rekonstruktie van zijn verleden verwachtte: een kreatieve  herdenking van het moment waarop hij besloot kunstenaar te worden. Hij schreef over kunstenaars als Wagemaker, Schoonhoven en Goeritz, allemaal meditatieven, wier werk bijzonder veel voeten in de aarde en in de geschiedenis heeft en die op een even ongekunstelde als ceremoniële wijze zicht probeerden te krijgen op ‘Eenvouds verlichte waters’.

Eenvoudig en ceremonieel, zo was Lex. Liever nog zou ik zeggen:’calvinistisch en byzantinistisch‘. Er was iets onbeweeglijks zelfs in zijn uiterlijke verschijning – un beau masque– dat ver over de calvinistische polders heen verwees naar een zeer prachtlievende gestrengheid, maar ikonen en mozaieken (!) die geladen zijn met de geest der orthodoxie, die niet in pleister en wit, maar in goud en brokaat gekleed gaat. Vestdijk heeft in verband met de rechtzinnige hollandse poëzie van Nijhoff het woord ‘hedendaags byzantinisme’ laten vallen; het is een term die in al zijn letterlijkheid lijkt op te gaan voor Lex van Voorst  die een onder bladgoud bedolven pantser van vormelijkheid heeft opgetrokken rondom een door en door hollandse  inhoud: een Woord, dat op geen enkele manier kan en mag worden afgebeeld, opgesloten in een tabernakel.

Lex maakt, als men het mij vraagt, reliekschrijnen die tegenwoordig stelden wat verzwegen moest worden, blikkerende harnassen rond de fiktie die men ‘IK”  noemt, gouden tenten,  Arken des Verbonds met een onuitsprekelijke inhoud, een geheim, waar de maker volkomen buiten staat en dat hem toch volledig vertegenwoordigt.

Lex behoort met al die vroegtijdig door hem gesignaleerde objekteurs als Wagemaker, Uecker en Schoonhoven tot de makers van ‘moderne ikonen’,  waarin het goddelijke niet is afgebeeld maar op sacramentele wijze is vervat. Zo gezien is het ook geen wonder dat hij zijn ziel, meer dan in welke andere van zijn bedrijvigheden ook, heeft gelegd in zljn grote grindmozaïeken. lk denk dat dit monnikenwerk hem boven alles lief was, al was hij natuurlijk wel een heel kritische en ook wel eens een boosaardige monnik, die er behoefte  aan had om van tijd tot  tijd van zijn steentjes op te kijken om ons – middels een van die posters die men nu aantreft op alle kamers van al onze zonen en dochters – duidelijk te maken dat meditatie het engagement en de slagvaardigheid niet ondermijnt. lntegendeel. Al werkend aan zijn mozaïeken maakte hij vele armen vrij voor al zijn andere werkzaamheden en beroepen, aan ieder waarvan menigeen onzer de handen vol zou hebben gehad.

Dat is hier allemaal geëxposeerd, ingrijpend, te ingrijpend afgekort uiteraard, want voor een volledige show van alle illustraties van Alexander zou gans Bennekom te weinig ruimte bieden.

Lex, die nu ongetwijfeld weet hoe de wereld in elkaar zit, zal mij vergeven dat ik voor de zoveelste keer heb geprobeerd om achter het raadsel te komen dat hij zo zorgvuldig voor zichzelf heeft opgetrokken. lk denk dat hij zich nu heeft gevestigd in een van die eigenhandig vervaardigde tabernakels, die bij zijn leven symbolen van Afwezigheid waren.

Maarten  Beks -1976